Als je een gerechtelijke procedure wilt beginnen, zul je in de meeste gevallen bewijs moeten aandragen. Wat als je daar niet over beschikt? De wet kan je dan een handje helpen.
In het Nederlandse civiele procesrecht geldt een heldere hoofdregel: de partij die zich beroept op bepaalde rechtsgevolgen, draagt ook de bewijslast van de feiten die daaraan ten grondslag liggen. Bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. In de praktijk betekent dit vaak: wie bewijst, wint. Maar wat als het cruciale bewijsmateriaal zich bij de wederpartij of bij een derde bevindt? Gelukkig biedt de wet een aantal instrumenten om ook dan aan bewijs te komen.
Sinds 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Een van de belangrijkste instrumenten uit die wet is het vernieuwde inzagerecht, geregeld in art. 194 Rv. Dit artikel vervangt het oude art. 843a Rv, dat is vervallen. Art. 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens, mits zij daarbij voldoende belang heeft. De kosten komen voor rekening van de verzoekende partij.
Hoewel art. 194 Rv voor een groot deel overeenkomt met het oude art. 843a Rv, zijn er enkele wezenlijke wijzigingen doorgevoerd die het inzagerecht toegankelijker maken. De belangrijkste drempelverlagingen zijn de volgende.
Onder het oude recht gold dat een inzagevordering niet toewijsbaar was als redelijkerwijs kon worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens was gewaarborgd. Het inzagerecht was daarmee een soort laatste redmiddel: pas als andere bewijsmogelijkheden waren uitgeput, kwam inzage in beeld. Onder het nieuwe recht is deze drempel geschrapt. Art. 194 Rv bevat deze beperking niet langer. Dit betekent dat het inzagerecht nu als een volwaardig en zelfstandig bewijsmiddel kan worden ingezet, zonder dat eerst hoeft te worden aangetoond dat er geen andere weg is om het bewijs te verkrijgen.
Onder het oude art. 843a Rv had de Hoge Raad bepaald dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de inzagevordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Degene die inzage verlangde om een vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad aan te tonen, moest gemotiveerd feiten en omstandigheden stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich daadwerkelijk had voorgedaan. Deze aannemelijkheidseis geldt niet meer onder het nieuwe recht. Dit is een belangrijke versoepeling: je hoeft niet langer eerst bewijs te hebben om bewijs te mogen vragen.
Het oude art. 843a Rv sprak van “bepaalde bescheiden”. Het nieuwe art. 194 Rv spreekt breder van “bepaalde gegevens”. Hierdoor vallen meer soorten informatie onder het inzagerecht, waaronder digitale data.
Waar het oude recht een “rechtmatig belang” vereiste, spreekt het nieuwe art. 194 Rv van “voldoende belang”. Hoewel het verschil subtiel lijkt, sluit de nieuwe formulering beter aan bij een laagdrempeliger toets.
Het inzagerecht is niet onbegrensd. Art. 194 lid 2 Rv bepaalt dat degene die over de gegevens beschikt, niet verplicht is tot verstrekking als hem een verschoningsrecht toekomt of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Werkt de wederpartij niet mee? Dan biedt art. 195 Rv de mogelijkheid om de rechter te vragen de wederpartij te bevelen tot het verstrekken van inzage. De rechter bepaalt daarbij de voorwaarden, de wijze en de termijn.
Bevinden de gegevens zich bij een derde? Dan kan de rechter ook die derde veroordelen tot het verstrekken van inzage op grond van art. 195a Rv.
Nog geen procedure gestart maar al behoefte aan bewijs? Dan biedt art. 196 Rv de mogelijkheid om voorafgaand aan een procedure één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te laten bevelen. Denk aan een voorlopig getuigenverhoor, een voorlopig deskundigenbericht of een inzageverzoek. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij sprake is van een van de in de wet genoemde afwijzingsgronden, zoals onvoldoende bepaaldheid, onvoldoende belang, strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen.
Een belangrijk verschil met het oude recht is overigens dat voorlopige bewijsverrichtingen niet meer afzonderlijk kunnen worden verzocht als er al een procedure loopt. Als er al een procedure loopt, moeten verzoeken om bewijsverrichtingen in die lopende procedure worden gedaan.
In spoedeisende gevallen kan een inzageverzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter.
Het meest vergaande instrument is het conservatoir bewijsbeslag. Hiermee kan bewijsmateriaal worden veiliggesteld voordat het verloren gaat of vernietigd wordt. Art. 205 Rv vereist daarvoor rechterlijk verlof van de voorzieningenrechter. De Hoge Raad aanvaardde in 2013 al de mogelijkheid van bewijsbeslag in niet-IE-zaken. Sinds 1 januari 2025 is het bewijsbeslag wettelijk geregeld in de art. 205-207 Rv. Het verlof geeft overigens geen recht op inzage in de veiliggestelde gegevens: daarvoor is een afzonderlijk verzoek nodig.
De wet biedt partijen die bewijs missen, een breed scala aan instrumenten. Het nieuwe bewijsrecht heeft het inzagerecht op meerdere punten versterkt: het is geen laatste redmiddel meer, de aannemelijkheidseis is vervallen, het begrip “gegevens” is ruimer dan het oude “bescheiden” en de belangdrempel is versoepeld. Samenvattend beschikt een partij over de volgende mogelijkheden:
➜ Het inzagerecht jegens de wederpartij
➜ Het inzagerecht jegens derden
➜ Voorlopige bewijsverrichtingen voorafgaand aan een procedure
➜ Conservatoir bewijsbeslag (art. 205 Rv)
Kortom: het ontbreken van bewijs hoeft geen reden te zijn om af te zien van een procedure. De wet biedt voldoende handvatten om bewijs te vergaren, ook als dat zich bij de wederpartij of een derde bevindt. En sinds 1 januari 2025 is de lat om die handvatten in te zetten, lager dan ooit.